‘Voor mij is 4 mei heilig’

De oorlogen van veteraan Ton van de Graaf 

SASSENHEIM – Oorlog en vrijheid. Ton van de Graaf (77) uit Sassenheim weet erover mee te praten. Als kind maakte hij de Tweede Wereldoorlog mee. Als dienstplichtige werd hij uitgezonden naar Nieuw-Guinea. Tegenwoordig is hij opzichter van het Veteranen Ontmoetings Centrum in Sassenheim.  

 

Drie keer stond Ton de Graaf op de Dam tijdens de nationale dodenherdenking. “Het betekende veel voor mij dat ik daar kon staan als veteraan. Niet alleen voor mezelf, maar ook voor mijn kameraden die voortijdig zijn uitgestapt. Hen had ik dit ook gegund. Voor mij is 4 mei heilig: daar komt niemand aan.”

Hij deed zijn dienstplicht eind jaren vijftig in Nederlands Nieuw-Guinea. Dat maakte nog deel uit van het Koninkrijk der Nederlanden, terwijl Indonesië al onafhankelijk was. “Ik wilde graag naar de Tropen. Als kind had ik astma, maar ik wilde van dat stempel af. Ik dacht: als ik nou goedgekeurd word voor de Marine, dan kan niemand mij daar ooit nog op afkeuren. Zeker als ik naar de Tropen ga.”

Het avontuur lonkte. “Ik kwam uit een gewoon arbeidersgezin en ineens ging ik met het vliegtuig naar de andere kant van de wereld.” Zorgen maakte hij zich niet. “Er was nog niet zoveel aan de hand. Die anderhalf jaar komt wel om, dacht ik. Bovendien: iedereen kwam terug. Het was daar grandioos. De natuur was overweldigend: de baai, het koraal, de bush bush. Op een keer stond ik op wacht en zag ik een lichtkolom naderen. Bleek een zwerm vuurvliegjes te zijn. Prachtig!” 

Kameraadschap

De onderlinge kameraadschap is hem het meest bijgebleven. “Dat was geweldig. Je slapie wist meer van je dan je eigen moeder. Ik werkte in de hangar, waar ik zorgde voor de vliegveiligheidsmiddelen. Er was ook tijd voor ontspanning. Zo was er een openluchtbioscoop – waar je drie weken lang dezelfde film kon zien.”

Maar er was ook bittere ernst. “Midden ’59 verging een vliegtuig op weg naar Nederland. Alle inzittenden kwamen om, ik kende ze allemaal. En vlak daarop crashte in de Patipibaai een vliegtuig met mijn kameraad Mies van Loon aan boord. Ik had hem nog uitgezwaaid. Hij was een van de vijf inzittenden die omkwamen, drie anderen overleefden het ongeluk. De dood van die mannen werd gewoon meegedeeld. Ik ging terug naar de barak, haalde het kastje van Mies leeg en dat was het dan. Je kon niet zeggen: ik ga een potje huilen.”

De aalmoezenier wist in zijn preek nog te vertellen dat God niemand voor zijn tijd haalde. “Daar was ik op zijn zachtst gezegd niet over te spreken, dat heb ik hem ook verteld. Maar vervolgens moest ik toch verder. Als je te lang stilstond, ging je eraan onderdoor.”

Toch overheerst de dankbaarheid. “Ik ging als een doetje de dienst in en kwam er als een man weer uit.”

Jodenster

De strijd in Nieuw-Guinea was al de tweede oorlog die Ton meemaakte. Tijdens zijn jeugd in Den Haag kwam de Tweede Wereldoorlog angstig dichtbij. Een jaar of zes moet hij zijn geweest toen hij voor het raam zat, een beetje naar buiten te kijken. “Plotseling stopte er een vrachtwagen, daar sprongen soldaten uit en ze klopten aan bij mijn vriendje. Ik zie hem nog naar buiten komen met zijn vader en moeder, Jodenster op de jas. Dat is het laatste wat ik ooit van ze heb gezien. Dat beeld vergeet ik nooit meer.”

De razzia’s maakten een blijvende indruk. “Als er een knallende motor langskomt, zit ik nog steeds rechtop!” Niet verwonderlijk, want soldaten betekenden onraad. “We hadden vier onderduikers over de vloer. Wanneer er een vrachtwagen stopte, gingen wij snel naar binnen om te waarschuwen. In de kamer stond een kast met een los plafond. Daardoor kropen de onderduikers naar de zolder. Ik wist dondersgoed dat je daar niet over moest praten.”

Het gezin had niet veel te eten. Zijn vader ging geregeld op hongertocht, soms bleef hij maanden weg. “In de hongerwinter is hij naar Drenthe gegaan met mijn broer, ik bleef achter met mijn moeder en mijn zusje. Zij was anderhalf jaar jonger dan ik.”

Ton herinnert zich nog dat er werd omgeroepen dat Nederland bevrijd was. “Er waren bevrijdingsfeesten: we gingen zaklopen en ik kreeg een kartonnen bouwpakketje voor een autootje. In de straat parkeerde een wagen van het Rode Kruis. Er stonden wel twintig kinderen in de rij. Ik sloot braaf achteraan, maar mijn zusje begon met een pannetje in het rond te meppen, toen stonden we ineens vooraan”, grinnikt hij. “Griesmeelpap en kaken kregen we.”

Maar zijn vader keerde maar niet huiswaarts. “In die tijd kwam mijn moeder aan met een narcisje in een pot. ‘Voordat die is uitgebloeid, komt papa thuis’, beloofde ze. Maar de narcis ging dood en mijn vader was nog niet terug. Vervolgens bracht ze een rode tulp mee en vertelde ze hetzelfde verhaal. Ik zag hoe de blaadjes gingen hangen. En ze kreeg gelijk: op de dag dat er een blaadje afviel, kwam mijn vader thuis. Tot op de dag van vandaag is er nooit meer een rode tulp mijn huis ingekomen. Ik wil ze zelfs niet in de tuin!”

Klachten

Twee oorlogen. Ze nestelden zich diep van binnen. Toen Ton later klachten kreeg, legde hij zelf een verband met zijn ervaringen. “Ik deed dingen die ik niet van mezelf kende. Ik vroeg de huisarts of het de oorlog kon zijn, maar hij zei dat ik toen nog te jong was.”

Hij trouwde, kreeg kinderen en ging werken in de woninginrichting. Een tijdlang woonde hij met zijn gezin in Zwolle, in 1983 verhuisden ze naar Sassenheim. “Ik wilde graag weer richting kust”, verklaart hij.

Toen hij 59 was, wreekten zijn ervaringen zich alsnog. “De stoppen sloegen door. Toen is geconstateerd dat ik een posttraumatische stressstoornis had. Gelukkig heb ik altijd veel steun gehad van mijn vrouw. Wat zij allemaal heeft moeten ervaren…”

Kort nadat het Veteraneninstituut werd opgericht, bleek dat Ton in aanmerking kwam voor een onderscheiding. Die erkenning deed hem goed. Evenals de bijzondere voorrechten, zoals de uitnodiging voor de dodenherdenking op de Dam. Een paar jaar geleden trokken op de 4e mei koning Willem-Alexander, koningin Maxima, prinses Beatrix en de ministersploeg aan Ton voorbij. Tot zijn verbazing volgde vlak daarna zijn vrouw. “Zij bleek in de kerk vlak achter hen te zitten! Ging ze mij vragen of ik het niet te koud had of moe was. Maar ik stond in de houding, dus ik mocht geen krimp geven…”

Als opzichter is Ton elke maandag, woensdag en zaterdag present in het Veteranen Ontmoetings Centrum Duin- en Bollenstreek. “Daar kan iedereen binnenlopen en een praatje maken. Ik ontmoet daar mensen die ook in Nieuw-Guinea hebben gezeten. Dat bindt.”

Maar ook jonge veteranen komen binnenlopen. “Zij krijgen vaak nog minder erkenning. Ik herinner me een knul die in Bosnië had gezeten. ‘Dan heb je het gemakkelijk gehad, gewoon een beetje patrouilleren’, zei ik. Ineens zat die man te huilen. Zo werkt dat: pas als je kwaad wordt, kunnen je emoties eruit.”

Dat we nog altijd de doden herdenken en de vrijheid vieren, vindt Ton een groot goed. “Dat is belangrijk om door te geven. Voor de generatie van na de oorlog is het zo normaal dat je naar huis gaat en kiest wat je wilt eten. En heb je geen zin om te koken, dan ga je Chinezen. Dan bedenk ik weer hoe ik met mijn pannetje in de rij stond. En hoe mijn zusje in de rondte sloeg met haar pannetje. Gelukkig hoeft dat niet meer.”

 

4 mei

Waar eenzaamheid een stilte is.
Zag ik een leeftijd van wonden.
Een handgebaar viel in stilte.
In gevoelens die verslagen zijn.
Zocht een herinnering als ontmoeting.

De herfst verzamelde haar verdriet.
Zij rechtvaardigde de oorlog.
Haar zoon is er gevallen.
Houdt de stilte hem in zijn armen.
Zijn onze woorden verstild in lijden.

De werkelijkheid praat tegen zichzelf.
In gevangenschap.
Binnen de muren van gedachtes.
Hoor ik hun stem in alle stemmen.
In een zucht van samenzijn.
Hun ogen, bevrijd van angst.
Hun geest, bevrijd uit de boeien.

Ad Blomsteel

Verhalenkaravaan Teylingen
Verhalenkaravaan Teylingen